|
| |
 |
|
 |
|
 |
|

groups.yahoo.com/group/hedendaagse-kerkmuziek
Interview met Jos Beijer
door Kees Middelhoff
Naar ik sterk vermoed heeft nog nooit een bijdrage aan dit 125-jarig bestaand kerkmuziek-tijdschrift
een dergelijke titel gedragen.
Het illustreert in elk geval dat het Gregoriusblad de verworvenheden van de
amper op gang gekomen nieuwe eeuw niet schuwt.
Het gaat om een van de vele websites van een begeesterd jong kerkmusicus Jos Beijer (*1970),
de lezers (m/v) van Continuo wel bekend.
Op het adres kerkmuziek.boogolinks verzamelt hij talloze kerkmuzikale links,
die de internet-surfer eenvoudig bij vele andere websites met kerkmuzikale informatie kan brengen.
"Daarnaast heeft hij twee email-discussiegroepen gelanceerd om te bereiken
dat "er een gesprek op gang wordt gebracht over het (on)gebruik van hedendaagse muziek
in de liturgie"; respectievelijk een websitediscussie in gang te zetten
over alle facetten van het Gregoriaans:
uitvoeringen, onderzoek, uitgave, concerten, smaak en gregoriaans-in-popmuziek.
Voor een technisch onder-ontwikkeld persoon als bovengetekende:
een wondere wereld, maar al gauw raakte ik overtuigd van het uitbuiten van de ‘geschapen'
mogelijkheden, dienstbaar te zijn aan datgene waarvoor uiteindelijk
125 jaar geleden ons tijdschrift werd geïnitieerd.
Te meer omdat Jos Beijer behalve de toetsen van de computer ook - en vaak bekroond -
de toetsen van het orgel bespeelt.
Kerkmuzikale ouders
In de parochiekerk van het Gelderse Maurik waren zijn ouders steunpilaren van het kerkkoor.
De jonge Jos ging mee ter kerke en raakte al vroeg gefascineerd door met name het orgelspel;
zo zelfs dat hij de ééntonige klarinet in de dorpsfanfare voor gezien
en gehoord hield en experimenteerde op het meertonige orgel;
op 12-jarige leeftijd werd hij - en met succes - de vaste organist in
de O.L V. ten Hemelopneming in zijn geboorteplaats.
Het vervolg is vanzelfsprekend:
leerling van het Nederlands Instituut voor Kerkmuziek in Utrecht,
met als succesvolle leermeesters Maurice Pirenne, Jan Raas en Willem Tanke
(die op hem de grootste invloed heeft gehad).
In Jos Beijers kerkmuzikale praktijk in achtereenvolgens Maurik, Maarssen en Loenen
hadden ook kinder- en (oecumenische) jongerenkoren zijn intrigerende aandacht.
In deze maand december volgt zijn aanstelling als dirigent van de welkbekende Augustinuskerk
aan de Oudegracht te Utrecht.
Tijdens zijn kerkmuziekstudie volgde hij
ensembleleiding bij Melvin Margolis en muziektechnologie bij Ernst Bonis.
Inmiddels studeert hij koordirectie in Gorinchem bij Joop Schets.
In 1990 voerde hij met het Culemborgs Kamerkoor de Weihnachtsgeschichte van Hugo Distler uit;
in 1995 was hij een van de dirigenten in de première van de
Missa Nicolaï van Wim Francken.
Daarnaast componeert hij ook: bij gelegenheid van de ingebruikname van het MIDI-pijporgel
in de Maurikse kerk vond de première plaats van zijn eigen werk "Kroniek".
MIDI en Luna lucet
Dat MIDI-orgel is ‘typisch' Jos Beijer,
"gefascineerd als ik ben door de muziektechnologie;
ik wil graag de hedendaagse techniek toepasbaar maken, oacute;oacute;k op het pijporgel."
Op Beijers initiatief is in Maurik een MIDI-orgel geplaatst.
Het is een mechanisch pijporgel dat via aanslaggevoelige MIDI-contacten
synthesizers en andere electronische muziekinstrumenten kan aansturen.
Beijer: "Die ontmoeting tussen de orgelwereld en de wereld van de muziektechnologie
moet componisten in staat stellen een nieuwe stroming in het componeren
voor orgel tot stand te brengen."
Hoe jong Jos Beijer ook is, hij heeft verschillende - vaak bekroonde -
composities op zijn naam staan, uiteraard een Maurik-Mis,
verder een Missa Petrus et Paulus, bewerkingen van bekende kerstliederen voor
SATB en harmonieorkest, maar ook een "Sonata sopra per arbores luna lucet"
(uiteraard alleen uit te voeren rond Sinterklaas!)
en verder muziek op enkele spitse kwatrijnen van Daan Zonderland.
Voor het symposium 'Liturgie en muzische taal', oktober 1999 in Tilburg, heeft Jos Beijer
het Eucharistisch gebed 12a (Gezangen voor Liturgie 743)
inclusief de prefatie op muziek gezet.
"Dat was geen gemakkelijke opdracht, o.a. omdat de tekst vrij lang is;
je moet dus proberen ëën stijl aan te houden
zonder in herhalingen te vallen en ‘saai' over te komen.
Ik heb een soort ‘psalmodie' aangehouden;
het werd een recitatieve melodie die ritmisch vrij kon zijn.
Om zeker te zijn van enige ‘spanning' waren in de tekst acclamaties voor het volk ingevoegd.
Die acclamaties hadden tot doel een duiding van de tekst."
Beijer vindt achteraf dat deze werkwijze muzikaal zeer bevrijdend heeft gewerkt.
Hij gaf daarnaast aan de instellingswoorden een eigen accent:
"hetgeen bij de na-bespreking terstond opmerkingen opriep als bijvoorbeeld:
‘waarom zou Christus per se een basstem hebben gehad?'"
Dit compositiewerk betekent overigens niet dat hij zijn eerste liefde,
het orgelspel, vergeet.
In 1994 behaalde hij de 1e prijs op het Nationaal Orgelconcours in Leiden
met de uitvoering van 20ste-eeuwse stukken, zijn lievelingstijdperk.
Hij is verder actief in twee professionele orgel-ensembles o.m. voor bestaande muziek voor twee orgels of anders aux quatre mains.
'Wierook-muziek'
Kerkmuziek fascineert Jos Beijer bij uitstek, maar waarom precies?
'Ja, waarom; ik denk onder andere
omdat er muziek wordt gemaakt voor en met 'gewone', ik bedoel
muzikaal-ongeschoolde mensen.
Je weet niet wat je met hen kunt bereiken,
welke eenheid je kerkmuzikaal kunt smeden tijdens een viering;
hoe ze zich 'thuis' kunnen voelen.
Dat is totaal anders dan wanneer je een 'profaan' concert geeft.
Voor mij behoeven zij niet uit volle borst mee te zingen,
zoals je dat wel ziet in een EO-uitvoering van samenzang;
nee eerder moet het een soort 'wierook-muziek' zijn;
dan wint het aan krahct.
Als het niet 'alléén maar luid' is;
dan pas vind ik een compositie en de uivoering daarvan geslaagd.'
Die fascinatie ligt ook ten grondslag aan Beijers Yahoo-discussiegroepen.
Door hoeveel mensen worden die discussiegroepen ongeveer bezocht?
"Wat de moderne kerkmuziek betreft een 50 à 60 personen,
wat het gregoriaans betreft 70 à 80.
Het kan gaan over vragen, resp. mededelingen over te organiseren uitvoeringen,
maar ook - tot mijn verbazing! - vragen over honoraria,
waarbij amateurs vinden dat een beroepsorganist te veel verdient
voor werk dat uiteindelijk ‘pro Deo' - letterlijk te nemen - gedaan wordt;
maar ook beroepsmusici die vinden dat amateurs naar verhouding te veel verdienen!
Maar er zijn ook vragen over de uitvoering van het Greogriaans en dan in het bijzonder:
welke gregoriaanse meldoieën fungeren of kunnen fungeren als ‘leitmotiv' in de popmuziek
of als sfeerbepalende melodieën bij de in- en/of uitleiding in dit soort muziek?
Kennelijk voorzien de sites in een behoefte
en heeft Jos Beijer naast veel capaciteiten
ook een praktische visie op de toekomst.
Een verrassende ontmoeting.
Actuele informatie over Jos Beijer kunt u vinden op zijn persoonlijke website
www.josbeijer.nl .
Belangstellende lezers van ons tijdschrift kunnen meediscussiëren door een e-mail
te sturen aan: hedendaagse-kerkmuziek-subscribe@yahoogroups.com en/of
gregoriaans-subscribe@yahoobroups.com .
|
Top
Elektronica & orgelkunst
Interview met Jan Veldkamp
door Hans Fidom
'We trokken de wenkbrauwen wel even op:
Midi op een orgel?
Nog wel op een Ruiter-orgel?
Wat was Midi eigenlijk?
We wisten dat het iets met elektronica te maken had.
Uiteraard lag de associatie met elektronische namaak-orgels voor de hand,
en daarvan waren en zijn we overtuigd: dat nooit!
Kunst en imitatie gaan niet samen.
Peter Planyavsky vergeleek die elektronische prullen ooit terecht met een nepbloem:
van veraf lijkt het misschien nog een echte bloem,
maar er zit geen geur aan,
er is geen verzorging nodig,
er zit, kortom geen leven in.
De plastic bloemen-maker heeft geen andere gedachte dan:
hoe maak ik zo goedkoop mogelijk een product
om uit de portemonnee van bloemenliefhebbers een centje mee te pikken.
Het was ter gelegenheid van de verplaatsing van het Ruiter-orgel uit de Regenboogkerk
in Groningen naar Maurik dat Jos Beijer,
de oganist van de Onze Lieve vrouw ten Hemelopnemingkerk daar,
opperde een Midi-aansluiting o het orgel aan te brengen.
Hij is hier danig aan de tand gevoeld, om het zo even te zeggen,
maar hij wist overtuigend uit te leggen wat Midi was
en waarom hij zo'n aansluiting wenste:
zijn ideaal was niet om orgelklanken via luidsprekers na te bootsen,
maar met elektronische instrumenten zelf klanken te maken,
en daarmee een dialoog aan te gaan met de klank van het orgel.
Midi is een afkorting voor Musical Instruments Digital Interface:
het biedt dus de mogelijkheid om (elektronische) muziekinstrumenten,
zoals bijvoorbeeld synthesizers,
op een digitale manier met elkaar te koppelen,
vergelijkbaar met de manier waarop op orgels klavieren aan elkaar kunnen worden gekoppeld.
Digitaal wil zeggen dat de informatie door de Midi-kabel tussen twee synthesizers
in de vorm van reeksen enen en nullen wordt verstuurd.
Synthesizers kunnen dan ook gemakkelijk met behulp van Midi aan een computer worden verbonden,
waar met programmatuur het geluid verder bewerkt of geanalyseerd kan worden.
Kenmerkend voor Midi is dat synthesizers, computers en dergelijke
serieel aan elkaar worden verbonden;
dat betekent dat met het klavier van één synthesizer
bijvoorbeeld een groot aantal andere tegelijk kunnen worden bespeeld.
Belangrijk is het onderscheid tussen Midi-in en MIdi-out.
Via een kabel die aan een Midi-out-aansluiting van een synthesizer wordt verbonden
kunnen signalen uit die synthesizer naar een andere synthesizer worden verstuurd;
via een kabel die aan Midi-in wordt aangesloten kunnen juist signalen van de andere synthesizer worden ontvangen.
De synthesizer is het muziekinstrument dat via een versterker luidsprekers kan aansturen;
Midi heeft ddarmee niets te maken.
De luidsprekers zijn in Maurik bovenin de pedaaltorens aangebracht.
Nu is het zo dat synthesizers meestal met behulp van een klavier worden bespeeld.
Dit betekent dat een los klavier -
wat net zo min als bij een orgel op ziochzelf een instrument is -
via Midi met een synthesizer kan communiceren.
In Maurik zijn de staartklavieren van het Ruiter-orgel
aan het einde van elke toets voorzien van een korte draad die een contact laat bewegen.
Deze contacten zijn verbonden met en Midi-out-aansluiting,
waarvan via een kabel een synthesizer
(of een andere muziekinstrument dat geschikt is om via Midi aangesloten te worden)
kan worden verbonden.
Vervolgens kan zo'n digitaal via het orgel aangestuurd instrument verbonden worden met de luidsprekers in het orgel.
Het orgel zelf is dus geheel intact gebleven;
er zijn slechts enkele toevoegingen gedaan,
die, indien gewenst, gemakkelijk ongedaan kunnen worden gemaakt.
De stand van de toets van het orgel bepaalt hoe ver het contact open gaat,
zodat de toetsen 'aanslaggevoelig' zijn:
een stevige aanslag geeft via het contact en vervolgens de Midi-out-aansluiting een ander signaal
aan de synthesizer dan een zachte aanslag.
Alleen de contacten die aan de pedaaltoetsen zijn verbonden zijn niet aanslaggevoelig.
Om de output nader te kunnen regelen zijn er een zwelpedaal,
waarmee het volume van het geluid uit de luidsprekers geregeld kan worden,
en een 'sustainpedaal', waarmee je een toon kunt aanhouden, aangebracht.
De elektronica is overigens geleverd door de firma Hartlief uit Zuidlaren.
Een probleem is natuurlijk het oppervlak en de sterke gerichtheid van luidsprekers.
De Tannoy-luidsprekers heb ik bovenin de beide zijtorens aangebracht.
In principe is het geluid uit luidsprekers niet erg 'breed',
zeker niet in verhouding tot hoe een orgel klinkt.
Maar in Maurik hebben we het geluk dat het orgel in een ronde nis staat,
waardoor de ogelklank en de luidsprekerklank tamelijk goed worden gebundeld,
en toch een overtuigend 'geluidsbeeld' opleveren.
Natuurlijk maakte het ongewijzigd blijven van het orgel,
in de zin dat de toevoegingen additeif zijn en dus eventueel zonder probleem verwijderd kunnen worden,
best voor ons gemakkelijker Jos' ideeën serieus te nemen.
Ook het akoestischeffect van de nis was daarbij een factor van belang.
Tevens speelden echter andere argumenten een rol.
Het is niet te ontkennen dat het orgel en de orgelkunst als geheel
terrein verliest in de belevingswereld van mensen in het algemeen.
het is dus zaak het stimuleren van de interesse in orgels en orgelmuziek aandachtig ter hand te nemen.
Van essentieel belang is dat er muziek van het hoogste niveau wordt gmaakt.
het is inmiddels echter niet te ontkennen dat elektronica samen met orgel tot boeiende muziek leidt.
Ik noem alleen al Ton Bruynèl, van wie Lien van der Vliet nog niet zo lang geleden alle werken speelde,
maar ook ensemble Up There,
dat improviserenderwijs orgels en synthesizers en andere elektronica combineert met vocale muziek,
harmoniums enzovoort.
De publieke belangstelling voor de concerten van Up There vind ik iets om niet terzijde te leggen:
hier is een mogelijkheid om het orgel dichter bij mensen te brengen die het niet kennen,
eenvoudig omdat ze er nooit mee in aanraking komen.
Dat zij het juist in nieuwe, hedendaagse muziek horen, lijkt mij uitermate boeiend.
Uiteindelijk was het dat ideaal,
zeg maar een steentje bijdragen aan de orgelkunst van de toekomst
en daarbij niet alleen op het verleden te letten,
dat ons overtuigde dat Jos' ideeëen met het Maurikse orgel zo gek nog niet waren.
De concerten die ik daar tot nu toe meemaakte,
en waarbij niet alleen synthesizers maar ook computers en slagwerk werden gebruikt,
waren voor mij het bewijs dat het een goede beslissing was
samen met de adviseurs te kiezen voor het aanbrengen van een Midi-out-aansluiting,
het koppelen van de nodige contacten aan de klaviatuur,
en het plaatsen van luidsprekers.
En wie weet stimuleert het jonge musici aan conservatoria om het orgel nader te ontdekken.
Daarbij denk ik niet alleen aan orgelstudenten,
maar ook aan studenten elektronische muziek, slagwerkers - noem maar op.
Bij mijzelf bespeur ik inmiddels dat het proces met Maurik wat mij betreft niet hoeft op te houden.
Als je eenmaal beseft dat muziek van de hoogste kwaliteit de referentie dient te zijn,
ligt er opeens een heel open denkgebied voor je,
waar orgelmakers zich nog maar zelden op gewaagd hebben.
Voorzichtig denk ik er nu over na hoe orgelklank flexibeler gemaakt kan worden.
Zou het zinvol zijn in het windsysteem een voorziening aan te brengen
waardoor de variaties in de windvraag veranderingen in de synthesizer teweeg brengen?
Stel je voor dat er een orgel in een muziekzaal voor hedendaagse muziek moet worden ontworpen.
Daarin zouden de mogelijkheden die Midi-aansluitingen bieden serieus kunnen worden genomen,
en ju kunt zelfs overwegen of een geheel nieuw type dispositie dan niet aan de orde is.
Het zijn maar ideeën,
maar wat me duidelijk is geworden bij het nadenken erover
is dat de beslissing over de zin van zulke ideeën in samenspraak met musici genomen moet worden.
Zij zijn tenslotte de kunstenaars die iets te vertellen hebben;
ik ben de instrumentmaker.
De ideeën die aan het Walcker-orgel in Sinzig ten grondslag liggen zijn dus niet raar.
Destijds werd er gemengd op gereageerd
en naderhand raakte het intrument in de vergetelheid,
juist doordat de klank van het pijpwerk niet geweldig is.
Dat is een punt van belang:
de klank van de pijpen moet van hoog niveau zijn,
anders heeft het aanbrengen van iets als een Midi-uitgang geen zin.
Laat ik anderzijds heel duidelijk zijn:
het orgel van Maurik representeert een stadium in een ontwikkeling waarvan we de uitkomst niet weten.
De reden waarom ik er toch aan deelneem zal inmiddels duidelijk zijn.
Ironisch is anderzijds dat wanneer een opname gemaakt wordt van het instrument
wanneer zowel de pijpen klinken als de elektronica,
de microfoons moeilijk gaan doen.
kennelijk horen zij toch iets anders dan onze oren,
die op hetzelfde moment vinden dat de klank in orde is.
Dat is misschien wel het meest duidelijke bewijs
dat de relatie tussen elektronica en geluid, en zekr muziek,
zo eenvoudig nog niet is.
Dat vind ik echter geen reden de toevoegingen aan het Maurikse orgel af te wijzen.
Van een reden daartoe zou wèl sprake zijn
wanneer een en ander niet uit artistieke overwegingen gebruikt zou worden.
Het is in Maurik nu eenmaal heel eenvoudig om een elektronisch namaakregister via de luidsprekers te laten klinken.
Ik moet er niet aan denken.
Tegelijk vind ik dat de angst in dit soort processen niet mag regeren.
je moet op je hoede zijn,
maar niet bang voor alles wat nieuw is.
In feite is het een kwestie van vertrouwen -
en dat is gelukkig niet beschaamd.
Dit project heeft ons blikveld als orgelmakers zeer verbreed.
Ik heb ontdekt dat mijn liefde voor oude muziek door de aandacht voor nieuwe ontwikkelingen niet geringer is geworden.
Juist niet, dat is het mooie.
Op de één of andere manier -
zeker hedendaagse kunstenaars zullen er wellicht om glimlachen
dat ik een voor hen zo vanzelfsprekende waarheid nog expliciet wil uitspreken -
op de een of andere manier remt een al te conservatieve houding
toch de ontwikkeling van de kwaliteit van wat je als orgelmaker aan werk levert.
In feite is het simpel:
de orgelmaker heeft de verantwoordelijkheid voor de klank van het orgel,
de componist die voor de muziek die hij schrijft,
en de organist voor hoe het geheel uiteindelijk klinkt.
Als elk van hen integer is,
kunnen er prachtige nieuwe vergezichten ontstaan.
Ik zou die kans niet willen missen.'
|
Top
Elektronica & orgelkunst
Interview met Willem Tanke
door Hans Fidom
'Als een hoogtepunt van een bepaalde ontwikkeling in de synthesizerbouw:
zo beschouw ik de Yamaha SY99.
Ik bezit een exemplaar uit het begin van de jaren '90.
Het instrument kent veel menuutjes en een duizelingwekkend reservoir aan mogelijkheden.
Inmiddels werk ik er vijf jaar mee,
maar het zou me verbazen als ik meer dan 1% van alles wat ik met het instrument zou kunnen al heb ontdekt.
De Yamaha SY99 is vooral zo bijzonder omdat - globaal -
na 1990 een streven naar eenvoudiger instrumenten opgeld deed in de synthesizerbouw.
Dat leidde tot apparaten die voorzien waren (en zijn) van presets:
voorgeprogrammeerde klanken die je zelf niet of nauwelijks kunt beïnvloeden.
Op de SY99 kan dat wel.
Ik kan hem bijvoorbeeld gebruiken alsof het een Moog-synthesizer is,
dat was de 'oersynthesizer' om zo te zeggen.
Op een Moog begon je met een zuiver sinustoon, een toon dus zonder kleur en smaak.
Door boventonen toe te voegen en manipuleren kon je in principe elke klankkleur 'maken':
een toon bestaat immers uit een grondtoon en boventonen,
waarbij de relatieve kracht van de aanwezige boventonen de kleur van de toon als geheel bepaalt.
Maar de Yamaha kan veel meer -
veel meer dan de Moog maakt hij je als componist en improvisator flexibeler.
Je kunt, als je dat wilt, gemakkelijker intuïtief werken,
terwijl je bij een Moog toch tamelijk precies diende te weten wat je moest doen om een bepaalde kleur metterdaad te realiseren.
Ik kan je verzekeren dat het op de Yamaha SY99 zoeken, vinden, vormen van klanken, klankkleuren
en het vervolgens daarmee componeren en improveseren van een ongekende wijdsheid is
en tegelijk veel gevoel voor het instrument en ervaring vereist.
Let wel: ik zeg niet dat het instrument bijzonder is omdat het complex is;
ik zeg dat het bijzonder is omdat de aard van de complexiteit het mogelijk maakt boeiende muziek te maken.
Je bent als componist eigenlijk meteen ook sound-designer.
Essentiële voorwaarde voor een overtuigend gebruik van een synthesizer zijn natuurlijk goede luidsprekers.
Daarmee bedoel ik dat de luidsprekers zo exact mogelijk een vergroting laten horen van wat je er met de synthesizer 'in stopt':
er mag geen verkleuring optreden,
er mag geen 'warmte' toegevoegd worden - enzovoort.
Dat klinkt logisch, maar als je veel luidsprekers hebt gehoord - en ik heb er heel wat gehoord -
dan weet jedat het zo eenvoudig nog niet is om goede luidsprekers te vinden.
Bijkomend probleem is dan nog dat je je muziek niet alleen voor jezelf in je studio wilt horen,
maar dat die ook zodanig versterkt moet kunnen worden dat ook grotere groepen luisteraars er kennis van kunnen nemen.
Je zult dus een systeem moeten kiezen dat in grote ruimtes toch aan de basiseis (geen verkleuring) voldoet.
De PA-versterker (PA staat voor Public Address,
dat wil zeggen dat de geluidssterkte groot genoeg is voor een ruimte met publiek)
dient sterk genoeg te zijn,
en de luidsprekers van dien aard dat ze de krachtige elektrische impulsen van de versterker
zonder problemen in het geluid omzetten zoals je dat als uitvoerder bedoelt.
Ik ben dan ook lange tijd op zoek geweest naar goede luidsprekers.
Luistersessies met mensen van wie ik de oren vertrouw hebben uiteindelijk tot een keuze geleid.
Onder die mensen bevonden zich Ernst Bonis en René Uijlenhoet,
die beide over een bewonderenswaardig stel oren beschikken.
Enkele installaties wisten weinig meer te berde te brengen dan, zoals dat in jargon heet,
'bonkend laag' en 'sissend hoog',
waarbij de aandacht voor het middengebied, essentieel voor muziek, minimaal is -
luidsprekers dus die niet alleen van alles aan het geluid toevoegen, maar er ook veel uit wegnemen.
Het is in wezen onvoorstelbaar dat veel organisten, toch meestal gezegnd met goede oren,
met betrekking tot hun geluidsinstallatie genoegen nemen met luidsprekers die aan dezelfde kwalen lijden -
maar dit terzijde.
Hetzelfde geldt voor fabrikanten van elektronische namaak-orgels:
volgens mijn oren zijn de luidsprekers in hun instrumenten vaak de sluitpost van de begroting:
ze zijn vaak van een opvallend lage kwaliteit.
De PA-luidsprekers van het merk Tannoy bleken uiteindelijk echter wèl de gewenste neutraliteit te bezitten:
de input (wat uit de synthesizer komt), komt in overtuigende mate overeen met de output (de klank).
In Maurik is op initiatief van Jos Beijer een 'Midi-out'-aansluiting aangebracht op het Ruiter-orgel.
Het instrument was in 1978 gebouwd voor de Regenboogkerk in Groningen,
maar kwam te koop als gevolg van het Samen-op-Wwegproces.
In 1998 is het orgel door Orgelmakerij Mense Ruiter in Maurik geplaatst,
en bij die gelegenheid is meteen van een 'Midi-out'-voorziening aangebracht.
Als adviseurs waren Ton van Eck (namens de Katholieke Klokken- en Orgelraad),
Jos Beijer, Ernst Bonis en ikzelf bij het project betrokken.
Voor ons stond al snel vast dat de 'Midi-voorziening' in Maurik van een andere orde diende te zijn
dan die welke inde orgelbouw inmiddels vrij gebruikelijk zijn:
veel orgelmakers hebben in de elektronica een techniek ontdekt
die het op betrekkelijk eenvoudige wijze mogelijk maakt speelhulpen
(en dan met name vrije combinaties) te realiseren.
in Maurik wensten we daarentegen muziek te maken met behulp van Midi.
Tegelijkertijd was het niet bedoeling om het orgel in zijn integriteit aan te tasten.
De oplossing vonden we in het aanbrengen van contacten die met behulp van de toetsen worden bediend;
via die contacten kan een synthesizer of een computer worden aangestuurd.
in de beide pedaaltorens zijn bovenin Tannoy-luidsprekers gemonteerd,
zodat de klanken die via die synthesizer en/of computer worden gerealiseerd
gebundeld worden met de orgelklanken,
die tegelijkertijd tot stand komen.
Ik heb lang nagedacht over de vraag of klanken uit luidsprekers en klanken die pijpen voortbrengen
wel bij elkaar passen.
Om een antwoord te vinden heb ik besloten een onderzoek te doen.
het Fonds voor de Podiumkunsten heeft besloten dit onderzoek te ondersteunen.
De basisgedachte is dat het het overwegen waard is of de orgelbouw de technische verworvenheden van onze tijd
niet zou kunnen gebruiken om weer 'in lijn' te komen met de actualiteit
zoals dat tot in de eerste decennia na 1900 eigenlijk steeds het geval is geweest.
In het kader van het onderzoek hebben Roderik de Man en René Uijlenhoet composities gemaakt.
Met de componist Vidna Obmana heb ik een cd gemaakt
waarop orgelimprovisaties de basis vormden voor een elektronische bewerking.
Deze cd, bestemd voor een niet-klassiek publiek,
is met name in de Verenigde Staten zeer goed ontvangen.
Wij krijgen veel enthousiaste reacties over de volledig nieuwe context waarin orgelklanken komen te staan.
Het voor mij onverwachte effect van het onderzoek tot nu toe
is evenwel dat ik vraagtekens zet bij meer elektronische klanken dan ik verwacht had.
Een jaar nadat het orgel in Maurik was geplaatst ging ik - in een geheel andere context -
samenspelen met Afrikaanse percussionisten en zangers.
De eenvoud van hun instrumenten en de directheid van hun muzikale expressie vond ik overweldigend.
Het heeft mij zeer aan het denken gezet,
het orgel is al zo ingewikkeld en een synthesizer is nog veel ingewikkelder...
Een uitvoering kon eens niet doorgaan omdat één kabeltje ontbrak!
Daarentegen was een zeer positieve ervaring de uitvoering van Ton Bruynèls composities
voor orgel en elektronica in het kader van het Holland Festival 2000.
Wanneer hoor je nu orgelmuziek in Nederlands belangrijkste festivals?
Een ander element dat me in verband met het experiment in Maurik bezighoudt,
is dat ik op dit instrument mijn virtuositeit dikwijls als een beperking ervaar.
Ik maak typisch 'vingermuziek';
andere musici die met elektronica bezig zijn,
zie ik veel meer met de elementen van de elektronische instrumenten bezig:
zij stellen bijvoorbeeld filtes bij,
vinden met behulp van schuiven en regelaars wat zij willen horen.
Omdat dat veel meer de manier van 'spelen' is die bij die instrumenten hoort,
vind ik dat op een bepaalde manier oprechter.
Opmerkelijk is ook dat het orgel me soms zo boeit
dat ik de mogelijkheden van de elektronica gewoon vergeet.
Tot welke conclusie mijn onderzoek zal leiden weet ik dus niet,
maar spannend is het zeker.
Dat het niet tot een complete afweizing van elektronica zal leiden is overigens wel zeker:
het voordeel van Midi, zoals in Maurik,
is dat er steeds andere instrumenten aan het orgel gekoppeld kunnen worden.
Daarom ben ik ook heel nieuwsgierig naar toekomstige ontwikkelingen in de elektronische muziek.
Vooral van de sampler verwacht ik veel;
dat is een instrument waarmee bestaande klanken op allerlei manieren uitgewerkt kunnen worden.
Verder ben ik ook wel degelijk overtuigd dat er sprake kan zijn van een waardevolle
'interactiviteit' tussen orgelklank en elektronisch opgewekte klanken.
Dat hoeft niet per se te betekenen dat het één zonder meer past bij het ander:
ook confrontatie van beide werelden kan tot goede muziek leiden.
Orgels en synthesizers zijn natuurlijk verwante instrumenten.
Op beide kun je bestaande klanken kiezen en op allerlei manieren mengen;
op beide kun je boventoonstructuren manipuleren
door verschillende klankkleuren samen te voegen.
Ook kun je op beide instrumenten 'lagen muziek' boven elkaar zetten.
Verder is het zinvol te bedenken dat zoals het orgel in de 16de, 17de eeuw hi-tec was,
datzelfde nu geldt voor de synthesizer.
Ik beweer niet dat de synthesizer de opvolger van het orgel is,
maar verwant zijn ze zeker.
Beide instrumenten staan trouwens door hun technische aspecten zeer ver af van het uitgangspunt van alle muziek:
de menselijke stem.
Ook een overeenkomst die overweging verdient.
Een aardige fantasie in dit verband vind ik dat je je voorstelt hoe een Kromhoornist in de 16de eeuw zou hebben gereageerd
toen de orgelmakers van zijn tijd op het orgel Kromhoorns gingen maken;
ze bootsten in feite zijn instrument na.
Vond hij dat niet surrogaat?
Imitatie is immers artistiek niet overtuigend!
Als ik daarop even mag voortborduren:
in enkele opzichten denk ik dat het orgel minder sterk is dan de synthesizer.
Denk bijvoorbeeld aan de Cimbelster,
een saai klinkend register zonder enige variatie.
Zoiets kom je op de slechtste synthesizer nog niet tegen:
die zijn altijd gebaseerd op het besef dat een minimum aan flexibiliteit in de klank altijd gewaarborgd dient te zijn.
Of een tremulant:
die kan heel mooi zijn,
maar wordt bij veelvuldig gebruik vervelend.
Hoewel orgels en synthesizers verwant zijn
denk ik dat de verbinding van die twee, zoals in Maurik gerealiseerd, nog niet optimaal is.
Voor mijn gevoel komen de elketornische klanken hier voort uit een extra klavier
(in dit geval viertueel).
Vergelijk het maar met een Echo- of Bombardeklavier uit vroeger eeuwen:
een mooie maar niet beslist noodzakelijke uitbreiding.
Ik denk veel na over een mogelijke opvolger van instrumenten zoals in Maurik.
In gedachten hoor ik dan een klein prototype van een orgel,
zeg maar een soort Middeleeuws blokwerk,
voorzien van elektronica die controle over de wind-toevoer mogelijk maakt.
De akoestische klank kan via klankmodules met behulp van schuiven en knoppen,
dus niet via toetsen,
bewerkt worden.
Een praktisch voordeel is dat zo'n orgel helemaal niet duur hoeft te zijn.
Aangezien het op zich eenvoudig is kunnen ook niet-vakorganisten,
bijvoorbeeld uitvoerders van live elektronische muziek
(een belangrijke groep musici vandaag de dag) ermee overweg.
Dit kan stimulerend zijn voor de orgelwereld,
die vaak zo hermetisch afgesloten is.
Het instrument zou op zijn plaats zijn in een grote stad waar de hedendaagse muziek goed functioneert,
bijvoorbeeld Amsterdam of Rotterdam.
Ik werk eigenlijk heel intuïtief aan mijn onderzoek en aan mijn muziek.
Ik kies voor improvisaties als uitgangspunt.
Dat kan leiden tot een volledig vrije improvisatie,
of tot een 'geleide' improvisatie,
een improvisatie dus die in de loop van de jaren verfijnd wordt en zich uitkristalliseerd,
of - in een enkel geval -
tot een volledig uitgeschreven muziekstuk leidt.
De 'inventio', het basisidee, is altijd gerelateerd aan het orgel, de piano of de synthesizer;
vandaar dat ik me liever geen componist noem:
een componist schrijft immers voor allerlei bezettingen.
Concreter betekent dit dat ik al musicerend op mijn Yamaha SY99 of op het orgel in Maurik
klanken aantref die me boeien, waar ik verder mee wil.
Daarmee ga ik dan aan de slag:
wat zijn de elementen waaruit die klank zijn opgebouwd, wat kan ik ermee?
En als ik elektronica aan een orgel als dat in Maurik koppel,
hoe zorg ik dan voor overeenkomsten of juist conflicten?
Het betekent ook dat je veel dieper 'in' de orgelklank gaat zitten:
ook die is vergelijkbaar onderzoek waard.
Een misschien aardig detail is dat daarbij blijkt dat schampere opmerkingen over elektronica,
zoals dat die steevast 'effect-processoren' nodig zou hebben om ruimtelijk of breed te klinken,
slechts in beperkte mate terecht zijn:
in feite heeft ook elk orgel zo'n processor nodig.
Dat is namelijk de ruimte waarin het instrument staat:
de akoestische omstandigheden daarin kunnen het orgel maken of breken.
Ik moet bekennen dat ik eigenlijk een hekel heb aan elektrische apparaten.
Elk huishouden alleen al wordt er mee overspoeld.
Ik ben bij wijze van spreken maar wat blij dat mijn huis een echte trekbel heeft!
Ik heb geen computer,
maar heb kort geleden gewoon een typemachine aangeschaft.
Toch ben ik erg blij met mijn Yamaha.
Een goede synthesizer als de SY99 is een oprecht, integer instrument
dat met goede smaak gebruikt kan worden;
het is en mij, als musicus en componist,
biedt het juist de mogelijkheden die ik nodig heb.
Mijn aversie tegen elektronica houdt dus halt
als het mijn artistieke terrein gaat begrenzen:
het gaat tenslotte om muziek,
en niet om principes.'
|
|